Tips & Tricks


April 2021 – Er gaat een wereld aan juridische mogelijkheden voor je open…

Maar dan is het nodig om de juiste wettelijke procedure aan te houden. Voor het terugdraaien van een betalingsverplichting heeft het aantonen van wanprestatie bijvoorbeeld géén effect (Kantonrechter Rechtbank Rotterdam 19 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2405).

De daarvoor geregelde wettelijke procedure is het ingebrekestellen om de schuldenaar nog een laatste kans te geven, en, als daaraan niet wordt voldaan kan op basis van dát verzuim de mogelijkheid van ontbinding worden ingezet.

In plaats daarvan biedt de wettelijke procedure voor het verkrijgen van vervangende schadevergoeding in sommige gevallen echter een nog betere oplossing. In plaats van een ontbindingsverklaring wordt dan een omzettingsverklaring aan de schuldenaar gestuurd.

In alle gevallen is echter nodig dat de in te roepen (rechts-)gevolgen van het niet benutten van een laatste kans op een volstrekt zuivere en inzichtelijke manier aan de schuldenaar aangekondigd zijn.

Maart 2021 – Op enig moment klare wijn schenken: “uiterlijk …?” → “ja, en anders?”

Er is niet (of onvoldoende) vast komen staan wat er zou gebeuren ná “uiterlijk”. Gevolg verbinden (op basis van de wet) is dan wél mogelijk. Máár…, daar zul je éérst (niet achteraf) duidelijk over moeten zijn (Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:141; artikel 83 onder a Boek 6 Burgerlijk Wetboek).

Februari 2021 – Samenwerkingsovereenkomsten bij projectontwikkeling onder de loep

Mensen kunnen samenwerken. Dit kan worden vormgegeven met een contractuele samenwerking óf door oprichting van een gezamenlijke onderneming. Het is alleen wel handig om daar van tevoren ook daadwerkelijk op deze manier over na te denken, en e.e.a. ook duidelijk vast te leggen, en, daar vervolgens ook naar te handelen.

Een recent voorbeeld is Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:537. Hier speelde achteraf een discussie of nu sprake was van ófwel alleen een contractuele samenwerking óf zelfs oprichting van een maatschap (vergelijk mijn artikel hieronder van afgelopen december over “gemengde overeenkomsten”).

Een maatschap is een overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in de gemeenschap in te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkaar te delen. In het voorbeeld van déze uitspraak was echter juist voor een groot deel sprake van een opdracht waarbij juist een vergoeding door de één voor een door de ander te verrichten prestatie gold. Volgens het hof was daarom vooral sprake van “een samenwerkingsovereenkomst/opdracht” en in een onvoldoende mate van een maatschapsovereenkomst.

Opmerking verdient overigens nog wel dat indien wél sprake zou zijn geweest van een maatschapsovereenkomst, in dat geval bij ontbinding van de maatschap als uitgangspunt voor verdeling zou hebben gegolden dat alle maten terugkrijgen wat zij in de maatschap hebben ingebracht (Hoge Raad 24 januari 1947 (Rouma/Levelt)).

Januari 2021 – Mogelijke gevolgen van COVID-19(-maatregelen) voor huurovereenkomsten

Er is een golf van kortgedinguitspraken op gang gekomen waarin een (voorlopige) huurprijsvermindering voor ondernemers van (in beginsel) 50% aan de orde is.
Een voorbeeld van zo’n uitspraak is Rechtbank Overijssel 11 december 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:4215. De afgesproken huurprijs wordt hierin tegenover de “onvoorziene” COVID-19-overheidsmaatregelen gesteld. Dit gebeurt dan op basis van artikel 258 Boek 6 Burgerlijk Wetboek…
In deze situaties moet een rechter proberen om een heroriëntatie te maken: wat zouden partijen (nog) juist wel of niet hebben afgesproken als zij wél rekening hadden gehouden met de zogeheten “onvoorziene omstandigheden”?

In de nu beschikbare uitspraken speelde een grote rol dat “de mogelijkheid” van “(onvoorziene) overheidsmaatregelen” twintig jaar geleden nu juist wél is voorzien tijdens het ontwerpen van de wetgeving die op huurovereenkomsten van toepassing is. In de parlementaire behandeling valt namelijk terug te lezen dat er een situatie denkbaar kan zijn waarin een “(onvoorziene) overheidsmaatregel” een gebrek oplevert in het door verhuurder aan huurder te verschaffen huurgenot.

Daar staat nog wél tegenover dat in meerdere uitspraken wordt geoordeeld dat een huurder inzage moet verschaffen in de gestelde financiële impact, wanneer een verhuurder daarom vraagt. En, bij het uitblijven van bewijs van gestelde financiële impact, afwijzing kan volgen. Bovendien kan een door een verhuurder gestelde financiële impact evengoed meewegen.

December 2020 – Van struiken die gekoeld moeten worden en “gemengde overeenkomsten”

Mensen kunnen plannen maken. Soms doen ze dat samen. Een overeenkomst tussen mensen bevat eigenlijk alleen maar “een plan” waaraan zij, als het goed is, bereid zijn zich te houden. Er zijn verschillende soorten van overeenkomsten, zoals er verschillende soorten gezamenlijke plannen zijn.

Soms moet een rechter waarderen wat voor soort overeenkomst er nou precies gesloten is (een recent voorbeeld was Rechtbank Rotterdam van 19 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1101). Het is dan aan de rechter om volledig te moeten begrijpen waarom dingen tussen mensen op een bepaalde manier zijn uitgepakt. En, wanneer, zoals in dit recente voorbeeld, de overeenkomst voldoet aan de omschrijving van twee soorten van overeenkomsten (zie 5.2), om zelfs volledig te moeten begrijpen hoe de regels van zowél de koopovereenkomst (artikel 7:1 Burgerlijk Wetboek en verder) áls die van de overeenkomst van aanneming (artikel 7:750 Burgerlijk Wetboek en verder) juist wél of juist niet bij dit geval passen.

Wanneer een contract niet wordt nagekomen volgens plan, is het meestal de uitdaging aan de ene partij om de ander niet aan het lijntje te houden, maar de ander mag zich ook niet aan het lijntje láten houden (anders kan de laatstgenoemde afgestraft worden als een beroep op verjaring door een rechter gehonoreerd wordt).